Hoe komt het toch dat altijd als ik in een goede bui ben, er weer meedogenloos misbruik van gemaakt moet worden?
Op deze manier werd ik al donateur van het WNF, KWF en de Waddenvereniging, en sinds een half uur ben ik ook lid van de ECI-Boekenclub.
Nee, doe het niet! Schreeuwde de realist en behoedzame Nederlander in mij toen een vriendelijk meisje me vroeg of ik tijd had voor 'een paar vraagjes'. Maar mijn zonnige ik straalde te hard.
Het meisje op Haarlem Centraal begon vol enthousiasme haar betoog om me over de streep te trekken. Wat zij niet wist was dat ze me voor ze ook maar één woord had gesproken al had ingepakt.
Niet dat ze zo ontzettend knap of onweerstaanbaar was. Integendeel: ze kwam zelfs weg met de opmerking dat ze twijfelde of ze me moest vragen of ik wel 18 jaar of ouder was.
Nee, hier kwam geen subtiele charme of slinkse marketingtool aan te pas. Vandaag had ze me zelfs lid kunnen maken van het genootschap ter promotie van het in stripboekvorm gepubliceerde levenslied. Maar dat wist zij natuurlijk niet.
Beleefd hoor ik heel haar verplichte verhaal aan en blader ondertussen verwonderd door de prachtige catalogus.
Dat ze dit tegenwoordig allemaal mogelijk maken, ongelofelijk hè, denk ik bijna hardop.
In de luchtigheid komt er zelfs nog een vorm van een gesprek op gang. Ik zou het bijna een gezellig samenzijn gaan noemen.
Ze is nu bijna door haar ingestudeerde tekst heen. Als ze op de valreep nog een knalroze Mini tevoorschijn zou toveren, had ik ‘m ook nog aangeschaft.
Godzijdank spaart ze me. Ik hoef alleen maar vier keer per jaar een product aan te schaffen uit de uitgebreide collectie. Dat kan op allerlei manieren, zelfs per fax.
Wow, per fax, mompel ik.
Ik mag nog twee boeken uitkiezen waar ik er één tot mijn grote vreugde al op mijn lijstje had staan. Het moet niet veel gekker worden.
Tijd voor de krabbels. Niks kleine lettertjes, gezeur om extra aanbiedingen of kritische vragen over maanden waarin niks besteld is.
Stuurt u in dat geval de beste boeken van het kwartaal op? Wat sympathiek van u.
Ze geeft me een hand. Bijna wil ik haar op de hals vliegen, maar besef net op tijd dat zo’n actie net niet binnen de hiervoor opgestelde sociale norm valt.
Met een grote glimlach loop ik de stationshal in. Even verderop zie ik een kudde wervers van de Partij voor de Dieren staan.
Ik kan geloof ik maar beter een blokje om lopen, bedenk ik nog net op tijd. De levensgrote JA op mijn voorhoofd zou me wel eens tot heel mensonvriendelijke daden kunnen verlokken. Ik loop terug richting de automatiek en trek een frikadel uit de muur.
Zo, stel ik tevreden vast terwijl ik een stevige hap neem en richting het perron loop.
Mij kan niks meer gebeuren.