Hoe komt het toch dat altijd als ik in een goede bui ben, er weer meedogenloos misbruik van gemaakt moet worden?
Op deze manier werd ik al donateur van het WNF, KWF en de Waddenvereniging, en sinds een half uur ben ik ook lid van de ECI-Boekenclub.
Nee, doe het niet! Schreeuwde de realist en behoedzame Nederlander in mij toen een vriendelijk meisje me vroeg of ik tijd had voor 'een paar vraagjes'. Maar mijn zonnige ik straalde te hard.
Het meisje op Haarlem Centraal begon vol enthousiasme haar betoog om me over de streep te trekken. Wat zij niet wist was dat ze me voor ze ook maar één woord had gesproken al had ingepakt.
Niet dat ze zo ontzettend knap of onweerstaanbaar was. Integendeel: ze kwam zelfs weg met de opmerking dat ze twijfelde of ze me moest vragen of ik wel 18 jaar of ouder was.
Nee, hier kwam geen subtiele charme of slinkse marketingtool aan te pas. Vandaag had ze me zelfs lid kunnen maken van het genootschap ter promotie van het in stripboekvorm gepubliceerde levenslied. Maar dat wist zij natuurlijk niet.
Beleefd hoor ik heel haar verplichte verhaal aan en blader ondertussen verwonderd door de prachtige catalogus. Dat ze dit tegenwoordig allemaal mogelijk maken, ongelofelijk hè, denk ik bijna hardop.
In de luchtigheid komt er zelfs nog een vorm van een gesprek op gang. Ik zou het bijna een gezellig samenzijn gaan noemen.
Ze is nu bijna door haar ingestudeerde tekst heen. Als ze op de valreep nog een knalroze Mini tevoorschijn zou toveren, had ik ‘m ook nog aangeschaft.
Godzijdank spaart ze me. Ik hoef alleen maar vier keer per jaar een product aan te schaffen uit de uitgebreide collectie. Dat kan op allerlei manieren, zelfs per fax.
Wow, per fax, mompel ik.
Ik mag nog twee boeken uitkiezen waar ik er één tot mijn grote vreugde al op mijn lijstje had staan. Het moet niet veel gekker worden.
Tijd voor de krabbels. Niks kleine lettertjes, gezeur om extra aanbiedingen of kritische vragen over maanden waarin niks besteld is. Stuurt u in dat geval de beste boeken van het kwartaal op? Wat sympathiek van u.
Ze geeft me een hand. Bijna wil ik haar op de hals vliegen, maar besef net op tijd dat zo’n actie net niet binnen de hiervoor opgestelde sociale norm valt.
Met een grote glimlach loop ik de stationshal in. Even verderop zie ik een kudde wervers van de Partij voor de Dieren staan. Ik kan geloof ik maar beter een blokje om lopen, bedenk ik nog net op tijd. De levensgrote JA op mijn voorhoofd zou me wel eens tot heel mensonvriendelijke daden kunnen verlokken. Ik loop terug richting de automatiek en trek een frikadel uit de muur. Zo, stel ik tevreden vast terwijl ik een stevige hap neem en richting het perron loop. Mij kan niks meer gebeuren.
Tijdens mijn reis naar Ecuador was ik er niet aan toegekomen: een Ayahuasca ritueel.
Ayahuasca is een kruidenmengsel met visionaire en helende werking uit de Amazone. Wat bleek? In Nederland vinden dit soort rituelen ook plaats. Ik hoefde niet lang na te denken...
En dus zit ik hier nu. Op een niet al te comfortabele houten stoel, in een kring rondom een met religieuze objecten gevulde tafel. Voornamelijk rooms-katholiek geïnspireerd, als dekmantel voor een lange tijd verboden en vervolgde religie. Het moet inmiddels een uurtje of half acht zijn, maar tijd speelt geen rol vanavond.
Dertien andere in het wit gestokenen maken het gezelschap compleet in het kleine kapelletje in hartje centrum Den Haag. Allemaal ervaren bezoekers. Ze komen om tot rust te komen, het leven los te laten, hun geest te reinigen. En dat kan er heftig aan toe gaan.
Een paar van hen sprak ik al even. Geen rare hippies, maar vrijgevochten gepensioneerden, midlife-crisis veertigers en zelfs (!) mooie jonge vrouwen. Sommige dragen een muts. Ayahuasca kan je koud maken, hoorde ik. Tot op zekere hoogte, dacht ik er voor mijn eigen geruststelling bij.
Ik kreeg instructies, nam nog eens notie van de extreme verhalen waar ik al eerder van gehoord had, ondertekende een formulier en nam plaats. Ik kreeg een Portugese Psalmenbundel in mijn handen gedrukt. Hier, dan kun je meezingen zolang de letters niet van de bladzijden afrollen. De man grinnikte. Maar ze komen vanzelf weer terug op de pagina’s hoor, maak je maar geen zorgen. Gelukkig maar, ik zie mezelf al over de grond kruipen om mijn ravage bij elkaar te rapen. We wensten elkaar naar goed gebruik een ‘goed werk’ en begonnen op aanwijzing van de gitaar te zingen. Eerst nog wat wijfelend, daarna steeds overtuigender. Na een paar hymnes was het tijd voor de eerste portie daime thee. Denk niet aan gewone thee, eerder aan een mengsel van heel geconcentreerde koude kruiden. Gewoon doorslikken.
Intussen zitten we een half uur en ik wacht. Wacht op wat komen gaat. Op de heftige effecten waar ik over las en hoorde. Die je innerlijk doen oprukken, je binnenstebuiten keren, met je leven confronteren. Ayahuasca geeft je toegang tot je geest.
Ik weet dat dit soort effecten maar zelden na één kopje optreden. Toch blijkt alles mogelijk met dit magische mengsel. Tegenover me laat één meisje haar tranen de vrije loop. Twee anderen zijn al gaan liggen op een speciaal daarvoor gereserveerd matras.
De kotsemmers komen direct al van pas: om diep te gaan moet je lichaam écht op de proef gesteld worden. Naast me raakt een eerst nog gereserveerd ogende senior in trance. Hij schuifelt voorzichtig naar een matras, waar een deken, een glas water en een speciaal aangestelde wacht zich over hem ontfermen.
Terwijl ik dit alles observeer merk ik dat mijn adem dieper en rustiger wordt. Het uur vliegt voorbij en het moment is daar om de volgende dosis daime tot ons te nemen.
We zingen weer. Ik voel krachten, maar weet niet of dit hét effect is.
Het verwachte slachtveld blijft uit. Af en toe vertoont iemand symptomen. Een meisje begint sensuele bewegingen te maken. Een man verkrampt van angst en slaakt een kreet wanneer er een dekseltje op de grond valt. Verder verloopt de sessie rustig.
Het is een milde uitvoering vandaag. We houden het deze keer bij twee glazen, terwijl bij de bitsere Cura minstens vier glazen naar binnen glijden. Nu komt men om te ontspannen, dan om grondig gereinigd te worden.
Zeer grondig.
We zingen verder. Mijn hart bonst in mijn keel en ik heb moeite om erbij te blijven. Terwijl de meesten steeds actiever in het proces opgaan, voer ik een strijd tegen mijn oogleden. Een kleine tik op mijn schouder wekt me uit mijn roes. De trance-man heeft inmiddels met een stralend gezicht zijn plek rechts van me weer in genomen. Ik sta op en gezamenlijk sluiten we de sessie af.
Nadat de laatste noten geklonken hebben vliegt iedereen elkaar om de hals alsof we een geweldig toneelstuk opgevoerd hebben. De diepst getroffenen als hoofdrolspelers nog met de meeste overtuiging. Het was weer goed hè? Eén voor één informeren ze hoe mijn debuut beviel. Prettig, meer kan ik er niet van maken.
Eén van de leiders komt met een poederig goedje langs. Zeven krachtige kruiden moeten ons weer met beide benen op de grond zetten. Ik stem toe en hij zet het buisje aan mijn neus. Minder dan een seconde heeft het spul nodig om me in lichterlaaie te zetten. Het vuur spreidt zich uit van mijn neus naar mijn voorhoofd, hart, buik en onderbuik. Terwijl ik verder praat voel ik dat het niet alleen dit goedje is dat bezit van me neemt.
Het lijkt erop of de ayahuasca de hele avond voor een dichte deur heeft gestaan die nu met grote kracht geopend is. Niks benen op de grond, dit is een directe vlucht naar eindeloze hoogten.
Mijn benen leiden me naar het matras, waar ik neerplof en een deken aangereikt krijg.
Een tinteling alsof ik zojuist uit bevroren toestand tot leven kom gaat door al mijn ledematen.
Ontspannen maar klaarwakker sluit ik mijn ogen. Nu pas begrijp ik waarom deze sessie Concentracao genoemd werd. Fonkelende gedachten schieten door mijn hoofd. Ik probeer een concrete vraag te stellen, zoals de man naast me een eerder die avond een heftig antwoord ontving.
Ik zweef op het randje van mijn bewustzijn. Precies helder genoeg om erbij te blijven, net niet diep genoeg om bij écht heftige zaken te komen.
Terwijl anderen om me heen opruimen en me af en toe een geruststellende blik toewerpen, voel ik dat het goed is. Ik geniet.
Een uur later krabbel ik voorzichtig op. Ietwat onwennig maar zonder veel problemen wandel ik wat door de lege zaal. De avond loopt op zijn eind, bijna iedereen is inmiddels wel bij me langs geweest voor een praatje en vertrokken voor een diepe nachtrust.
Dat moest ik ook maar eens gaan doen.
Helemaal van vooraf aan beginnen? Lees deel 1, 2, en 3
Pas wanneer de hele omgeving door de lens is geregistreerd, komt Louis op ons af, terwijl zijn twee collega’s uitgebreid de tijd nemen om het geheel vanuit andere cameraoogpunten in beeld te brengen.
"Hoe gaat het?" de headset van Louis’ Nokia priemt onder mijn neus.
"Waar slaat dit op jongens?" Kees duwt de headset van Louis weg en kijkt hem furieus aan.
“We maken jouw verhaal af man! Zonder jouw filmpje waren we hier niet eens geweest!”
“Mijn filmpje?”
“Ja man, de spectaculairste SKOEPS-inzending in maanden. Eerst iemand die ligt te flippen op de vloer, mensen eromheen, dan een wilde worsteling van jou met een of ander gek wijf en daarna niks meer. Ongelofelijk dat je dat nog zo snel hebt kunnen opsturen!”
De stand van mijn mond biedt inmiddels de mogelijkheid om een stapel van veertien bierviltjes te herbergen.
“En dan komen jullie gewoon met een paar cameraatjes, zonder politie ofzo?”
“Mijn collega heeft ze net gebeld. Zo hadden we in elk geval de primeur.”
“Waar komt toch die neiging vandaan om tegenwoordig alles te moeten filmen?” Vraag ik Kees als we niet veel later de politieauto uitstappen. Kees fronst zijn wenkbrauwen. “Tja, waar zit dat in. Volgens mij zijn we gewoon bang om dingen te vergeten.” Hij stapt naar binnen en groet de baliemedewerkster. “Hé, heb je daar niet een paar weken geleden schaamteloos mee staan vozen, en wij maar wachten op ons bier?” Hij haalt zijn schouders op. “Zou kunnen. Als ik bij moest gaan houden met wie ik allemaal wat en waar gedaan heb, dan zou ik geen tijd meer overhebben om de voetbaluitslagen te checken.”
“Uw vriend kan zich echt niets van het hele voorval herinneren. Weet u zeker dat hij geen grote hoeveelheden drank heeft genuttigd of heeft drugs gebruikt?”
“Als er iemand nuchter was die avond, was het Kees wel. Ik kan me trouwens sowieso geen nuchterder persoon voorstellen dan Kees.” De agent kijkt bedenkelijk maar lijkt me te geloven. “En u kent geen van de personen die op het filmpje te zien zijn?”
“Ik kan al hun voornamen opnoemen.”
De agent kijkt me met een zuur lachje aan.
Nadat ik hem alles verteld heb wat ik nog weet, mag ik gaan. Hij raadt me aan vanavond niet naar het café te gaan. Dat wilden ze in het kader van het onderzoek nog even niet sluiten. De agent laat me uit en drukt me op mijn hart dat ze deze zaak hoog op nemen.
Het ooggetuigenonderzoek had niks opgeleverd, vertelt de agent me de volgende dag. Geen stamgasten te bekennen en niemand die zei iets gezien te hebben. Het verhaal wordt steeds onverklaarbaarder. Was ik dan de enige die niet in het complot zat en gisteren gezien heeft wat er gebeurd is? Ik kan het niet geloven. Zou de kroegbaas er misschien meer van weten? Die was plotseling onbereikbaar op zijn vakantiebestemming. De politie vertrouwt ‘het geval’ Kees niet en wil hem verder onderzoeken. Psychologisch, medisch. Volgens mij is hij oprecht, maar mijn verbaast niets meer.
Als een waas trekken de dagen die volgen aan me voorbij. Aan de ene kant voel ik me verloren en stuurloos. Het enige houvast dat ik had, mijn veilig toevluchtsoord, mijn vertrouwde maar ongecompliceerde vriendengroep, is niet meer.
Het doet me pijn wanneer ik langs het Nieuwe Plein fiets en de gesloten luiken en afzetlinten zie. De politie neemt de zaak inderdaad serieus: er zijn sporen van een onbekende stof in het bloed van Kees gevonden en nu kijkt een team van specialisten of er vergelijkbaar materiaal te vinden is in het grand café.
Ik weet niet of ik wil weten wat er uit het onderzoek komt, wil weten wat zich allemaal heeft afgespeeld. Want aan de andere kant voel ik me ook wakker geschud. Voor mij kwam de klap niet toen ik merkte dat ik door mijn eigen vrienden uit- en opgesloten was. Voor mij kwam de klap toen ik realiseerde dat zij mijn vrienden niet waren. Dat ik eigenlijk sinds haar overlijden geen vrienden meer heb. Dat de wil om te vergeten me niets over had gelaten dan een stel medekneuzen, die elkaar alleen maar gebruiken om aan het bitse leven te ontsnappen. Bij mij kwam de klap toen ik merkte dat het geen ontsnappen, maar wegduwen was. Wegduwen van alles wat was, wegduwen van alles wat je bent. Zo wil en zo kan ik niet leven.
De uitslag van het onderzoek is bekend. De stof in Kees’ bloed bleek inderdaad afkomstig uit de kroeg. Het onderzoeksteam trof een ingenieuze installatie in het ventilatiesysteem aan waarmee de vloeistof in dampvorm door het café werd verspreid. Wat de precieze werking is, wordt nog onderzocht.
Ik weet het al.
Ik heb het altijd al geweten en heel mijn leven geprobeerd. Ik begrijp nu ook waarom alleen ík het weet. Vergeten, zelfs met de meest rigoureuze middelen zal het me niet lukken.
Met een zwaai eindigt mijn fiets zijn vrijdagavondritje tegen het hek op het Nieuwe Plein. Snel haal ik nog even een hand door mijn vochtige haar - dat zit wel goed - en stap mijn vertrouwde locatie binnen. Ik hoor het geroezemoes en snuif de karakteristieke geur op; de mengeling van bier en rook die we vanaf volgend jaar jammerlijk zullen gaan missen.
Binnen worstel ik me tussen de mensen door naar mijn bekende gebied. Mensen schuifelen opzij om de regendruppels die van mijn jas spatten te ontwijken. Het is aardig druk vandaag; voorin het grand café zie ik behoorlijk veel onbekende gezichten. Ik voel een hand op mijn schouder. "Ha Eric, ook weer eens hier?" Het is Bram. "Ik spreek je zo nog wel effe, is al weer lang geleden man!" Hij walst verder door het publiek, bier klotsend over de achteloze bezoekers.
Ongebonden
Ik doorzoek de menigte en zie achterin de bekende gezichten al staan. Stuk voor stuk verschillende types, maar met een paar dingen gemeen. Jong, intellectueel, ongebonden. In het dagelijks leven kennen we elkaar niet en ik zou van geen van allen de achternaam kunnen noemen. Maar hier wisselen we onze zwaarste problemen en diepste drijfveren uit.
Bellen doen we niet en bezoekjes vinden alleen plaats bij hoge uitzondering - meestal bij een combinatie van emoties, grote hoeveelheden drank en een sterke behoefte aan genegenheid. Dit soort uitstapjes blijven tussen de vier muren die getuige waren.
Het is een komen en gaan van gezichten, net een bejaardenhuis. Al ken ik de meeste toch inmiddels minstens een jaar. Wat er van de vertrokkenen is terechtgekomen zal altijd een mysterie blijven. Maar zolang we hier minstens een paar keer per maand komen, delen we onze diepste zielsroerselen met elkaar. Sluiten we vriendschappen zonder verleden en toekomst, die precies voldoen aan de behoeften van dit moment.
Ik zie Mark, de drukke zakenman van midden in de dertig die zich maar niet kan binden, met zijn blonde lokken boven de menigte uitsteken. Hij is in gesprek met fotografe Monique. Aantrekkelijk en energiek, maar met een patent op foute mannen. Net weer op eigen benen. Even verderop staat Freek, de vrijgevochten milieuactivist. Wilde geen kinderen tot zijn wereldbeeld hen een positievere toekomst zou gunnen. Tot zijn vrouw begreep dat wachten hierop even hopeloos zou zijn als de terugkomst van de messias en hem alleen met zijn idealen achterliet. Naast Freek hebben we Stefan, onze huishomo die weigert zich in die andere cafés te begeven waar hij met zijn looks ongetwijfeld een veel hoger slagingspercentage zou hebben. Gaf een aantal maanden geleden zijn baan in de consultancy op en zijn geaardheid bloot. Toen hij aan de slag was gegaan als ambtenaar bij de provincie weigerde hij óók zijn sociale leven om te gooien.
Stabiel
En dan ik. Ik kom, afhankelijk van hoe mijn leventje ervoor staat, gemiddeld zo’n twee keer per maand in dit grand café. Vanavond is mijn eerste bezoek sinds vijf weken. Ik was de laatste tijd druk en niet al te stabiel, en in zulke gevallen kan ik het beste maar uit de buurt van de biertap en de snel bestelde borrels blijven. Ik ken mezelf. In mijn zwaarste periodes geldt het café als laatste middel waar ik naar grijp. In zulke gevallen hebben de anderen meestal al vrij snel door hoe laat het is. Deze maand bleef ik weg, wat door hen dus zowel positief als negatief opgevat kon worden.
Ik gooi mijn jas over een barkruk en voel dat mijn elleboog een biertje schampt. Als ik me omdraai om luchtig mijn verontschuldigingen aan te bieden kijk ik recht in het enigszins geïrriteerde gezicht van Michael. Links van hem zie ik het verlopen uiterlijk van een vrouw. Ik herken haar rode krullen - van de verhalen die hij de afgelopen maanden met me deelde.
”Wa’s dat nou?” Zo, dat kwam er vriendelijk uit.
Michael kijkt me verwijtend aan.
”Je kent de regels toch? Geen exen, geen partners in het café. Wat doet Angela hier?”
“Doe niet zo bot, Eric. Haar moeder werd vandaag begraven en na een borrel in de buurt van de begraafplaats hadden we behoefte om het nog even te verwerken.”
”Dat zie ik ja. Maar waarom moet dat dan hier? We zouden dit soort drama’s op afstand houden; op deze manier is het hier geen veilige zone, maar een strijdtoneel.”
Michaels ogen spuwen vuur.
”Je weet best dat het niet zo simpel in elkaar zit. Alsof jij altijd zo’n prettig gezelschap bent als je hier aan de bar hangt.”
Zijn blik wordt ineens triomfantelijk. Hij doelt op mijn kutperiode, drie maanden geleden en precies een jaar nadat mijn vriendin overleden was. Toen moesten ze me onder mijn kruk vandaan vegen nadat ze hun pogingen om me van de wodka af te houden hadden gestaakt. In de taxi deelde ik het interieur opnieuw in en toen ik lopend verder mocht liet ik een spoor van glasscherven na bij alle bushokjes en andere doelwitten waarop 'schop mij' stond gekalkt.
”Nou moet je echt gaan oppassen, klootzak. Dat was een hoge uitzondering en had bovendien niks met de gedragscode te maken. Dat kwam vooral door jullie onvermogen om mij voor erger te behoeden.Hier hebben we het over dingen die jegewoon ergens anders moet uitvechten.”
Michaels borst staat nu dreigend recht tegenover de mijne en een lichamelijke confrontatie is slechts een kwestie van tijd.
Dan wringt Angela zich met geweld tussen ons beiden en sleurt Michael wild opzij richting de bar.
”Maik, we gaan,” smeekt ze tussen haar tranen door. We moeten hier weg.”
”Helemaal niet,” spreekt Michael haar triomfantelijk tegen. “Wij blijven mooi hier. Die jongen kan mooi de pot op met zijn regeltjes.”
Angela slaat haar ogen neer. Ze kent hem al langer dan vandaag en lijkt zich bij zijn standpunt neer te leggen.
Inmiddels heeft Mark zich uit zijn gesprek met Monique losgeweekt en is hij vlakbij komen staan. Hij stapt naar voren en mengt zich in het gesprek.
”Eric hangt vandaag de beleidsambtenaar uit,” sneert Michael. “Alleen heeft hij net zoveel tact en realiteitszin als zijn collega’s bij het ministerie.”
Ik voel dat mijn positie er niet beter op wordt en wil al weglopen. Ik heb al helemaal geen zin meer om nog te blijven, laat staan in dit soort conversaties. Waarom moet die slappe kerel heel mijn avond verpesten?
Gezellig
De barman, die het hele tafereel met enige argwaan vanuit zijn ooghoek had waargenomen, mengt zich in het gesprek.
”Ik geloof dat meneer en mevrouw hier niet echt sfeerbevorderlijk bezig zijn,” probeert hij de situatie tactvol te omschrijven. ”Dus ik heb twee opties: óf we drinken er eentje op en maken het vanaf nu weer gezellig, óf ik moet jullie vriendelijk verzoeken het pand te verlaten.”
Michael slikt een keer diep en lijkt zwijgend voor optie één te gaan, al maakt hij geen aanstalten om bij de bemiddelaar een bestelling te plaatsen.
Ik besluit de twee de rest van de avond te negeren en vraag om van het gezeik af te zijn om twee biertjes en een cola.
“Ik spreek jou nog wel een keer, jongen,” bijt ik hem toe als ik hem het Amsterdammertje in zijn hand druk.
“Was dat nou nodig, al die drukmakerij? Vraagt Mark als ik in even later aan de bar zit af te koelen.
“Jij weet net zo goed als ik hoe het gaat als we dit soort taferelen gewoon laten gebeuren. Dit gezelschap is mij gewoon heel veel waard en dat wil ik niet kapot laten maken door een zwakke avond van die lamme zak daar.”
”Er gebeurt toch niks?”
”Nou, je moest ze eens tegen elkaar tekeer zien gaan net. Dat is niet echt iets wat ik associeer met een relaxed avondje uit.Bovendien waren zijn verhalen over eerdere voorvallen ook niet echt geruststellend.”
Marc laat zich niet zo makkelijk overtuigen. ”Calm down. Het is de eerste keer dat dit gebeurt en het loopt niet uit de hand, stelt hij me gerust. Ondertussen observeert hij het tweetal achter me nauwkeurig. “We kijken het gewoon even aan en waarschijnlijk zien we haar nooit meer terug.”
Dan ineens lichten zijn ogen op en maakt hij een duik langs me. Verschrikt draai ik me om. Mijn adem stokt en het duurt een paar seconden voor ik doorheb wat zich achter mijn rug heeft afgespeeld...
Lees volgende week verder voor het vervolg.
Met wijdopen ogen inspecteer ik het afbladderende plafond. Ik lig nog geen minuut in mijn bed, maar ik weet het: vanavond gaat er niet veel van slapen komen. Inderdaad, ik was eigenwijs, maar ik had gewoon zó'n zin in koffie na het eten. Wat dat betreft ben ik simpeler dan de meest eenvoudige rebus: koffie plus alcohol betekent geen slaap voor drie uur.
Stoicijns als ik ben leg ik me bij de situatie neer. Niets is zo frustrerend als woelend draaiend met alle kracht proberen in slaap te komen, iedere minuut te beseffen dat je pogingen alleen maar averechts werken en daarmee je harslag alleen maar verder op te voeren.Ik heb weleens gedacht dat het een hele effectieve manier zou zijn om de naderende dood uit te stellen: als je gewoon héél graag dood wilt, dan lukt het vast niet.
Als klein kind vond ik het fascinerend fenomeen: dat exacte moment waarop je in slaap viel. Nacht in nacht uit lag er vol spanning op te wachten. Ik heb er een groot deel van mijn jeugdtrauma aan te wijten dat ik iedere ochtend weer wakker werd met een gevoel van teleurstelling dat ik mijn kans wederom gemist had. De enige keer dat het me ooit lukte was in een steriele kamer met een kapje op mijn mond. Toen omringden zes groengeklede en welgemutste marsmannetjes mijn bed, tot ze in volle wazigheid begonnen te dansen rond mijn hoofd en mijn ogen zich al tranend langzaam sloten.
Nee, wat dat betreft heeft mijn jeugd me een wijze les geleerd. Ik maak mezelf geen illusies meer. Toch onderneem ik nog wel een enkele op een poging lijkende actie. Maar na anderhalf uur uur en zes aanzetten tot schaapjestellen geef ik ook dat op. Dat getel is in dit soort gevallen ook een hopeloze bezigheid: na vijf schaapjes slaan de arme dieren op hol. Schaapje zes springt achterstevoren over het hek. Nummer tien maakt een flitsende salto, nummer vijftien wordt na drie vergeefse pogingen uitgesloten van verdere deelname en nummer achttien weigert uit pure bokkigheid domweg een poot uit te steken richting het hekwerk. Die kent duidelijk zijn klassiekers niet.
Een boek dan maar, want wakkere tijd dient nuttig besteed te worden. Meestal is een geletterd tijdverdrijf voor mij het perfecte recept om me richting fantasialand te begeven. Maar dit keer blijkt het tegenovergestelde een feit. Het lijkt erop alsof ik deze nacht moet gaan uitzitten als een drugskoerier zijn straf in een Ecuadoraanse gevangenis. Niets tegen in te brengen.
Op het moment van schrijven ben ik al honderd bruingekleurde bladzijden verder en vertelt mijn telefoon me dat er nog slechts twee uurtjes resten voor hij me weer op vredige wijze uit mijn droom zal wekken. Als ik tegen die tijd wel een ander stadium heb weten te bereiken. Ik begin alvast uit te rekenen hoeveel koppen Senseo ik nodig ga hebben om morgen de werkdag door te komen. Het gekke is dat ik me bij deze vervelende en eindeloze situatie helemaal niet ellendig voel. Als ik energie heb, heb ik energie. Dus schrijf ik dit zinloze stuk waarvan ik morgen maar moet zien of het het aanzien, dan wel het lezen waard is.
Zo'n slapeloze nacht is eigenlijk nog best nuttig. Ze zeggen dat slapen nodig is om indrukken te verwerken, maar juist als je een keertje geen diepe alfagolven door je brein laat stromen denk je ineens aan zaken waar je al weken niet meer bij stilgestaan had. Ik denk aan mijn Peruaanse vriend Chino, die me mailde dat er nog steeds geen tenten in zijn wijk zijn. Ik voel me een hypocriete verwende ramptoerist, maar fluister mezelf in dat ik machteloos ben.
Ik denk aan mijn oude schoolvriendin wiens vader pas is overleden. Ik vertrouw haar beste vrienden erop dat ze goed voor haar zorgen, sta zelf net te ver weg om meer te doen dan bij de begrafenis mijn steun te betonen. Ik denk aan de goudvis bij mij ouders, die het eigenlijk wel verdient om via het toilet de vrijheid tegemoet gespoeld te worden.
Dat is wel het nadeel van zulke lange, reflectieve nachten: je kunt maar weinig doen met je gedachten. Inmiddels is mijn resterende bed-tijd gereduceerd tot een naar beneden afrondbare hoeveelheid. De zon begint zich al weer voorzichtig te vertonen en nog gieren er meer volzinnen door mijn hoofd dan slaaphormonen door mijn aderen. Misschien moet ik de afgelopen uren maar gewoon even op actieve wijze uit mijn geheugen verwijderen en de nieuwe morgen toelachen. Hopen dat mijn collega's niet te snel met opmerkingen komen als ‘wat heb jij voor avonturen beleefd vannacht?'...
...Niet veel later schrik ik wakker van het vredige maar indringende geluid van mijn mobiel. Ben ik er dus op de valreep toch nog ingetuind! Als een zombie schuifel ik naar de douche. Wijselijk besluit ik mijn spiegelbeeld de eerste uren systematisch te ontlopen en me niet mijn caffeïnelevel op een constant niveau te houden. Dan wordt het vast een geslaagde dag.
Heb ik het nou verkeerd? Of zijn Nederlandse vrouwen écht zo slecht in flirten?
Een kort voorbeeld:
Je fietst over straat. Een snelle blik op je horloge vertelt je dat je eigenlijk al vijf minuten te laat vertrokken bent om nog op tijd op je bestemming te komen. In de haast had je ook al je setje kleren niet bij elkaar weten te vinden en je haar wilde ook al niet meewerken. Nu verwerk je nog net de laatste hap van je ontbijt, terwijl je tussen schoolkinderen en auto’s door naar de universiteit slalomt. Dan zie je ineens een ongelofelijk knappe jongen. Als witte paarden in deze verkeerschaos toegestaan waren geweest had hij er één gehad. Overdonderd door zijn bedwelmende persoonlijkheid vergeet je spontaan dat je voor een rood stoplicht stond en dat je inmiddels van achteren belaagd wordt door een horde medetweewielers. Hij kijkt je aan. Verdomme, hij kijkt je aan. Wat denkt ie wel niet? Wat moet ie van me? Van het ene op het andere moment ben je weer bij zinnen. Je zet je linkervoet op je trapper en laat je door de menigte meesleuren naar de overkant van de weg…
Een andere situatie:
Zondagochtend. Voorzichtig open je je ogen. Al snel wijkt je twijfel over het iets te vroege uur voor een vrolijke opgewektheid. Het is een heerlijke morgen! Geen wekker die je doet ontwaken, maar een streepje vredig zonlicht, dat ondeugend tussen de gordijnen door geglipt is. Je hart maakt een sprongetje, en twee minuten later jij ook. Je schiet in je luchtigste zomerjurkje. Dit gaat een mooie dag worden. Meteen besluit je een vriendin te bellen. “Naar het park, dat moeten we!” Je spreekt af en fleurt jezelf nog even licht op. Je nieuwste geurtje maakt het lentegevoel compleet. Een tevreden blik in de spiegel: “ik mag er wezen vandaag!”
Met een ferme zwaai sla je de deur achter je dicht. Wanneer je de hoek om huppelt richting de bushalte weet je tenauwernood een mannelijke gestalte te ontwijken. Hmm, niet onaantrekkelijk. Een snelle blik. Een nog snellere bloos. Snel kijk je de andere kant op en laat hem langs je heen glippen…
Ok, nog eentje dan:
Je stapt de trein in. De spits is druk als altijd, en jij weet tenauwernood een plekje te bemachtigen bij drie bejaarden. Een vluchtige omgevingsscan leert je dat er zich binnen een straal van tien meter geen hulpbehoevenden meer bevinden onder het ongelukkige volk dat de stoelendans verloren heeft en dat je dus het komende halfuur ontspannen door te brengen. Je zet je tas tussen je benen en pakt je boek. Dan zie je in je ooghoek een paar ogen op je gericht. Krachtige, warme ogen. Wanneer je zijn kant op kijkt, schrikt hij niet terug. Snel sla je je ogen neer. “Wat moet ik hier mee?” Denk je. Eigenlijk voel je je wel gevleid. Een slinkse blik uit je boek omhoog ter bevestiging. Hij kijkt nog steeds. Je vraagt je af of de bejaarden om je heen je kameleontische gedrag waarnemen – je bent inmiddels even rood als de bank waar je op zit. Nerveus kijk je op je horloge. Twintig minuten nog, maar over vijf minuten het eerste station. Tot je opluchting stapt hij uit. Hij zit dichter bij de andere deur en als hij tóch jouw kant op komt breekt het zweet je uit. “Hij zou toch niet…” Maar hij loopt geruisloos langs. Nog net weet je een flard van zijn aftershave op te snuiven. Wanneer de trein weer optrekt begin je voor de dertiende en laatste keer aan dezelfde bladzijde en kom je langzaam tot rust.
Hoe zou het toch komen, dat de Nederlandse vrouw niet durft te flirten? Is ze te onzeker als ze zich niet in haar beste outfit, met haar mooiste make-up en begeleid door haar verleidelijkste geurtje door de menigte begeeft? Is ze soms bang dat de spontane tegenspeler meteen met haar de bosjes in duikt als ze hem één blik van genegenheid gunt? Heeft haar vriendje een webcam in haar rechterschouder ingebouwd waarmee hij constant monitort of ze nog wel vol overgave van hem houdt? Of heeft ze gewoon op ieder moment dat ze zich níet vol overgave in het uitgaansleven stort geen enkele behoefte aan enige vorm van mannelijke aandacht?
Is ze perfect afgestemd op de tactloze emo-flintstone die den Nederlandschen heer al eeuwen is? Daar hoeft ze inderdaad weinig subtiels van te verwachten. Maar als er een keer iemand langskomt die het spel van de onschuldige liefde wel weet te spelen? Dan slaat ze hopeloos dicht en weet ze niet hoe gauw ze zich uit de voeten moet maken. Eeuwig zonde. Niet omdat ze zich hiermee een prachtig nageslacht door de neus boort, maar omdat ze zich keer op keer mooie, kleine genietmomentjes ontneemt. Vergeet die stinkende kroeg en die donkere club waar je het om je heen verzamelde volk nauwelijks kunt onderscheiden, laat staan verstaan.
Aandacht geef je en aandacht neem je, zeven dagen per week.
Flirten is geen zonde, anders had god jullie van allemaal geboren laten worden met een burka op. Laat je opvrolijken, blijer maken. Grijp die onverwachte 'eerstehulp bij slechte buien' met beide handen. Laat je ook op onschuldige dagelijkse momentjes eens vleien, voel dat vleugje ‘ik besta’ en wandel daarna met een glimlach verder. Speel het spel mee, je zult er nooit slechter van worden.
7.30 uur
Weet ik het wel zeker?
Om solidair te zijn met de moslims ben ik een dagje te laat. Het is geen voorbereiding op mijn steeds dichter naderende stage naar Ethiopië. Mijn stufi is nog lang niet op en van obese neigingen kan ik ook niet spreken. Toch besluit ik het, vijf minuten nadat mijn wekker is gegaan: vandaag komt er geen brok door mijn keel. Of, om het preciezer uit te drukken: tót ik vanavond in de trein stap gaat er niks mijn mond in dan water, koffie en thee. Ja, ik weet het zeker.
Waarom doe je zoiets? Misschien is het wel uit verveling. Of om mezelf te testen. Een eetverslaving houdt ons mensen in leven, maar bij mij is het af en toe wel erg doorgeslagen. Voor ik de laatste resten van mijn ontbijt met mijn kop thee heb weggespoeld, is mijn brein al weer bezig met het samenstellen van mijn lunch. Als mijn lichaam net even niet op de afgesproken tijd van de nodige versnaperingen wordt voorzien, begint ie te protesteren of zijn leven ervan af hangt. Die aansteller kan wel eens een schop onder zijn kont gebruiken.
Ondertussen, tijdens het schrijven van dit eerste rapport, begint mijn maag zachtjes om aandacht te vragen. Vanzelfsprekend heb ik tijd over die ik anders broodjessmerend en kauwend door zou brengen, maar het Journaal wordt steeds weer verstoord door een in mijn ooghoek op en neer springende banaan. Niet zo slim, om die in het zicht te leggen.
Naar de universiteit dan maar, daar is het voedselaanbod in elk geval een stukje magerder.
9:00 uur
Met wijd opengesperde ogen zit ik voor mijn computer. De impact van een slappe kop automatenmaxhavelaar op een nuchtere maag is niet te onderschatten. Hier houd ik het wel even op vol.
9:45 uur
De eerste hongergevoelens zijn naar de geschiedenis verwezen en maken plaats voor een prettige roes.
Eten lijkt bijzaak. Iets voor mensen die denken dat ze niet zonder kunnen. Ha, ik heb wel wat beters te doen.
10:45 uur
De eerste krampjes komen opzetten. Nu begrijp ik waarom baby’s altijd zo vervelend jammeren. Ik geef niet toe en loop met mijn mok naar de koffiekamer. Zo, die zit, denk ik terwijl ik terugstuiter naar mijn plek.
12.45 uur
Lunchtijd. En dat is te merken ook. Met een gevoel in mijn benen alsof ik net voor de vierde keer uit de achtbaan gestapt ben loop ik naar mijn fiets. Niet naar de kantine, dat is een te zware marteling. Ik zet koers richting het postkantoor. Daar ligt mijn OV op me te wachten als een warm broodje in de etalage.
Ai, ik had geen winkelcentrum als bestemming moeten kiezen. De ene na de andere etenslucht dringt op onbeschofte wijze mijn reukcentrum binnen met het vriendelijke doch dringende verzoek om tot actie over te gaan. Met denkbeeldige oogkleppen op scheur ik door naar het postkantoor, de drie bejaarden en twee kinderwagens die plotseling voor mijn vervaarlijk rondtollende wielen verschijnen ternauwernood ontwijkend.
Voor me in de rij staat een Marokkaanse man, die zijn familie wat geld toestuurt voor een mooi suikerfeest. Dan kunnen ze extra veel eten kopen. De sympathieke man belooft de baliemedewerkster straks nog wat lekkernijen langs te komen brengen. Ik moet hier wegwezen.
13.30 uur
Hevig bezweet kom ik bij de universiteit aan. Mijn beloning: een heerlijke kop koffie.
De eetlust komt duidelijk met golven, want geconcentreerder dan ooit ga ik aan het werk. De tijd vliegt en de letters knallen in groten getale het scherm op. Wie beweerde ook al weer dat de mens suikers nodig had om na te denken, uitgebalanceerde voeding om te presteren? Dat mogen ze dan nog wel eens opnieuw gaan uitzoeken.
17.00 uur
De productiviteit daalt. Ik voel me niet slap of duizelig, maar de fles water naast mijn toetsenbord biedt steeds minder voldoening en troost. Even volhouden nog, hoor ik mezelf in mijn oor zeggen. Bedankt, daar red ik het wel mee.
Alsof mijn interne wekker erop afgesteld staat, begint het reservoir in mijn mondholte zich langzaam te vullen met de nodige spijsverteringssappen. Rijkswaterstaat houdt de stand nauwkeurig in de gaten en heeft de code oranje reeds afgegeven.
Ik vraag me af of ik nou echt zo’n junk ben, of dat ik het me inbeeld. Ik hou mezelf voor dat mijn eerste hap de lekkerste zal zijn sinds tijden. Dat is mijn beloning. Uitstel van genot maakt de beloning meer de moeite waard, en groter. Microsof Word hoeft niet zoveel meer van me te verwachten, ik breng mijn laatste uur door op websites als www.ola.nl, www.jamieoliver.com en www.dinnersite.nl.
Dan, eindelijk, pak ik mijn tas en leidt mijn maag me voor de laatste keer naar mijn fiets.
18.45 uur
Onderweg naar de trein volgen de hallucinaties elkaar steeds sneller op. Op elke straathoek lijkt een bakker te zitten. De BigMac op het raam van het geelroodste restaurant is imenser dan ooit. De anders zo verfoeide stationshal doemt voor me op als een oase vol onweerstaanbare lekkernijen.
Terwijl ik naar mijn perron loop, is mijn hand al in mijn tas op zoek naar proviand. Krentenbollen. Bananen. Mueslirepen. Alsof er op alle verpakkingen “Nieuw, nog lekkerder!” staat. Mijn trein is vertraagd. Wat doe ik? Wacht ik tot ik echt in de trein zit? Of mag ik om zeven uur?
De beslissing hoef ik niet meer te nemen, want mijn handen hebben de banaan al van zijn schil ontdaan. Waaaaaaaah, wat is dit hemels. De goedkoopste drug!
Ik ben niet meer te houden. Heftig schrokkend stap ik de trein in. De jongen tegenover me kijkt me raar aan wanneer ik de ene na de andere verpakking uit mijn tas tover en in de prullenbak doe belanden. Ik zie hem denken: heeft die de hele dag niet gegeten ofzo?
Ik raak door mijn voorraad heen en kom langzaam tot rust. Voldaan staar ik voor me uit terwijl de trein verder suist. Een niet te onderdrukken boer bevestigd mijn primitief genot.
0.00 uur
Vijf uur lang had ik niet aan voedsel gedacht. Heerlijk, wat een rust.
Dan, als ik mijn ouderlijk huis nader, merk ik weer hoe weinig calorieën ik eigenlijk de hele dag tot me genomen heb. Of het nou psychologisch of fysiologisch is, al het andere wordt op straffe wijze uit mijn geest verdreven.
In gedachten gaan mijn ogen al door de voorraadkast. Ik zie de chocolade, koekjes, nootjes.
Ik bereik mijn huis. Spring van mijn fiets. Krijg de sleutel nauwelijks in het slot. Ren zonder het licht aan te doen naar de woonkamer. De kastdeur gaat open…
Een kwartier later lig ik misselijk, maar trots in mijn bed. Ik heb het gedaan, en het is nog het herhalen waard ook. Maar één geruststelling voor de dames: dit is geen optie om op een makkelijke manier van je overtollige vetreservoirs af te komen.
‘Dus dit was het dan?’ Ze knikt. Hij slikt en staart naar buiten. Ontwijkt haar ogen. Tergend langzaam dringt de nieuwe werkelijkheid tot zijn bewustzijn door. Dit was het dan. Ja, het is het beste voor hen allebei. Hij beseft het.
Elf mooie jaren waren het. Intensieve jaren. Liefdevolle jaren. Voorbij in slechts twee minuten. Zijn blik schiet langs haar naar de klok boven de deur in de woonkamer. Over twee uur staat hij al weer in de kroeg, eieren te bakken voor zijn eerste gasten. Maar anders dan op al die voorbije dagen. Binnenkort zal hij er alleen voor staan.
Een dag eerder leek er nog geen vuiltje aan de lucht. Het was haar verjaardag en alles wat ze aan kennis, vrienden de familie bezitten had zich in hun huis verzameld. Ook nu weer waren er de bekende respectvolle en bewonderende blikken. ‘Wat een geweldig stel is het toch.’ ‘Wat doen zij het toch goed samen.’ Maar schijn kan bedriegen en tijden veranderen.
Eenentwintig was ze toen ze hem ontmoette. Hij was precies wat ze nodig had na een stormachtige periode in haar leven: een rustpunt. Binnen een maand trok ze bij hem in en viel alles op zijn plek. Ze waren gelukkig samen. Ze vulden elkaar perfect aan en wisten precies wat ze aan elkaar hadden. Maanden van hard werken wisselden ze af met weken van ontspanning. Samen verkenden ze de wereld. Niets leken ze te wensen over te hebben - zij hadden genoeg aan elkaar. Tot vannacht.
Plotseling was ze opgestaan. Met een half open geperst oog had hij haar van onder de deken zien weglopen en op de wekker gekeken. Half vijf. Het was niets voor haar om eerder op te staan dan noodzakelijk, laat staan midden in de nacht. Hij was haar achterna gegaan en had haar aangetroffen op het balkon. Hij had gezien dat haar tranen hadden plaatsgemaakt voor een verontrustende gelatenheid. Hij had zijn arm om haar heen geslagen en nadat ze zo vijf minuten zwijgend hadden gestaan, had ze haar verhaal gedaan. Hem verteld over haar droom.
Ze zag een zonnig, fris groen park. Een park waar er zoveel van zijn in Nederland. Esthetisch verantwoord inclusief gazonnetje, speelveldje, vijvertje, een handvol secuur geplante bomen en wat doornloze struikjes. Ze rook de bloesem aan de bomen.
Daar zag ze een heel gewoon tafereel: een gezinnetje in het gras. Het bezwete voorhoofd van een vader die speelde met zijn twee kinderen. De tevreden blik van de moeder die van een afstandje toekeek en limonade in vier dezelfde bekers schonk. In bijpassende bakjes deed ze wat chips en ze riep haar kroost. De twee jongetjes vlogen haar om de hals, slurpten vol gulzige dankbaarheid hun beker leeg. Haar man wierp haar een snelle knipoog toe.
Maar ineens was er een omslag. De warme kleuren dreven weg en hun plaats werd ingenomen door een grauwe, kille waas. Ze herkende de omgeving: hun café, schemerig als altijd. De schilderijtjes aan de muur. De tafeltjes met de vertrouwde vale kleedjes. Een weeïge geur van rook en verspild bier drong haar neusgaten binnen. Het café ademde de leegte van een verstreken avond. Toen zag ze zichzelf. Daar, op een kruk, in een donkere hoek, zat ze. Alleen. Grijze haren bedekten haar rimpelige gezicht. In haar handen hield ze een doekje, dat rustte in haar schoot. Haar lege schoot.
Tussen kletsnatte lakens was ze wakker geworden. Ze had het uit willen schreeuwen, maar had zich bedwongen. Ze was bang dat haar dreunende hartslag hem zou wakker maken en direct had ze het geweten: er was maar één oplossing.
Buiten op het balkon had ze haar tranen de vrije loop gelaten. Misschien was het een hormonale opwelling, een baarmoederlijke dwaling. Maar de laatste zou het zeker niet zijn, daar was ze zeker van. Al die jaren had ze het weggedrukt, sinds die ene dag in december 1996. Op die koude winteravond hadden ze het erover gehad, en daarna was zwijgen voldoende geweest. Maar het zwijgen kon haar instinct niet langer onderdrukken. Dit was het dan.
Dit verhaal is 'truly based'. Ze gingen inderdaad als vrienden uit elkaar. Zij vertrok de wijde wereld in, bouwde een nieuw leven op en leeft sinds kort gelukkig samen met een andere man. En wie weet binnenkort met een kinderwagen.